Mariënburg, Vergaan maar niet vergeten

Het is de titel van een geschiedenisboekje dat ik in 2010 samen met de kinderen van Mariënburg schreef ter ere van het eerste Suriname Heritage Festival.  

Het staat vol met verhalen en tekeningen van de kinderen van die Mariënburg, een voormalige suikerplantage van de Nederlandsche Handelsmaatschappij die het sinds 1882 in bezit had. Verhalen van hun grootouders die voornamelijk uit Java en India als contractarbeiders naar Suriname kwamen. Het boekje had als doel om de kinderen met hun grootouders te laten praten en ze bewust te maken van hun eigen geschiedenis. Maar ook om ze trots te laten zijn op wat diezelfde grootouders hadden bereikt, waar ze vandaan kwamen en dat de verhalen niet vergeten zouden worden. Want ook Mariënburg kent een rauwe geschiedenis, die niet vergeten mag worden.

En terwijl ik de bladzijdes door mijn vingers laat glijden gaan mijn gedachten terug naar de spoorlijn die van Mariënburg vlak langs ons huis liep, richting de Surinamerivier. Ik wandelde er regelmatig met de honden. De geluiden van het bos…de ara’s, de amazone-papegaaien, de apen en de luiaards die me vanaf een veilige plek hoog in de bomen aanstaarden. Het was warm en klam. Hoe zwaar moet zijn geweest om in die warmte te moeten werken voor 40 cent per dag. Ze waren dan wel geen slaven, maar ze deden hetzelfde werk onder dezelfde omstandigheden.

Als ik langs de spoorlijn richting Mariënburg wandelde, liepen af en toe de rillingen over mijn rug. Een beladen plek voel je tot in je botten, hoe mooi het er ook is. Op een dag besloot ik bij de kruising, in plaats mijn weg te vervolgen richting Mariënburg, rechtsaf te slaan. Het pad werd smaller en smaller totdat de begroeiing het bospad geheel had overgenomen. Ik duwde de bosjes opzij en daar zag ik het. Onder de dichte begroeiing zag ik gedeeltes van grafstenen. De namen bijna onleesbaar geworden. De jaartallen: 1902 – 1907. Aan de afmetingen kon ik aan een van de graven zien dat er een heel lang persoon moest liggen en een graf was juist heel klein, hoogstwaarschijnlijk van een kind. De rillingen liepen over mijn rug, want aan de namen te zien moesten dit plantagehouders zijn geweest.

1902: Arbeiders kwamen in opstand en vielen de directeur aan, die een van de vrouwen had verkracht. Hij vluchtte, maar werd door de woedende menigte in stukken gekapt. De politie arresteerde de volgende dag enkele verdachten van de moord, maar de woedende arbeiders eisten de vrijlating van de gevangenen. Na enkele waarschuwingen schoten de aangetreden militairen 24 arbeiders dood.

Deze doden zijn nooit geborgen en nooit gevonden. Met ongebluste kalk zijn ze ergens op Belwaarde vergaan. De archeoloog Ben Mitrasingh die alles op alles zette om het massagraf te vinden is inmiddels overleden.

Belwaarde: een verdoemde plek waar je beter niet kunt wonen. Maar dat is weer een ander verhaal.